Geheim verzet van Beene Dubbelboer verhaalt over de twee vrienden Wim Verhoog en Geert Postma. Allebei wonen ze in een rustig dorpje in Drenthe vlakbij de Duitse grens. Ze hebben het naar hun zin op school en spelen veel buiten in de weilanden en de omringende stuwdammen. Sinds kort worden er op het platteland steeds vaker Duitse soldaten gezien. Op een zonnige dag in 1940 luistert Geert per ongeluk een gesprek af tussen twee soldaten. Ze stellen dat ze Nederland moeten inlijven. Omdat Nederland neutraal is en waarschijnlijk niet zal willen vechten, is dat klusje zo geklaard, denken ze. Geschrokken keert Geert terug naar huis waar hij zijn ouders en de familie van Wim op de hoogte brengt. Zal er dan toch oorlog uitbreken in Nederland?
In Picardy’s Fields van Hannah Byron brengt de lezer terug naar het jaar 1918. De jonge, welgestelde Agnès de Saint-Aubin gaat na haar studie in Parijs aan de slag als arts aan het Westfront. Nabij deze frontlinie ligt de Franse provincie Picardië met als tijdelijk militair hospitaal het statige Château de Dragoncourt. Hier worden soldaten naartoe gebracht wanneer ze rondom de loopgraven gewond raken door aanvallen van de Duitsers. Samen met de getrouwde Amerikaanse chirurg Alan Bell, die tevens haar mentor is, voert Agnès complexe operaties uit om zoveel mogelijk levens te redden.
Het tij hoog, de maan blauw van Jolien Janzing (1964) verhaalt over de Antwerpse Léonie Osterrieth-Mols. Deze voorname Vlaamse weduwe nam na de dood van haar man Jacques zijn internationale handel in koeienhuiden over. Desondanks lag haar hart bij de kunst, cultuur en (verre) reizen. Om aan haar passie uiting te geven, organiseerde ze in het eind negentiende-eeuwse Antwerpen regelmatig culturele salons waar musici, kunstenaars, schrijvers en ontdekkingsreizigers op afkwamen. Tijdens een van haar salons liep baron Adrien de Gerlache binnen “met in zijn handen een uit de schaal gebarsten jongensdroom.”
“Onze familie mocht dan Joods zijn, maar dat merkte je nergens aan”, benadrukt Judith Fanto (1969) aan het begin van haar doeltreffende debuutroman Viktor. De relieken in huis, de negenarmige chanoekia, de Estherrol en de sidoerim, worden gezien als niets meer dan toevallige erfenissen van de Weens-Joodse familie Rosenbaum die tijdens de Tweede Wereldoorlog van Oostenrijk naar Nederland vluchtte. “Hoewel ik me er al vroeg van bewust was dat wij Joods waren, begreep ik niet wat het betekende,” gaat Fanto verder. En zo begint het verhaal van Fanto’s alter ego Geertje van den Berg die tijdens haar studententijd in Nijmegen stiekem de familiearchieven induikt en haar ouders de stuipen op het lijf jaagt door ‘Joods te gaan doen’.
De poppenfabriek van Elizabeth Macneal speelt zich af in het Victoriaanse Londen van 1850. In de poppenwinkel van mevrouw Salter werken de opmerkelijke tweelingzussen Iris en Rose Whittle. Allebei hadden ze hun leven anders voorgesteld. Iris wil niets liever dan haar heimelijke wens om schilderes te worden verwezenlijken. De pokdalige Rose daarentegen had graag willen trouwen met de liefde van haar leven Charles. Dankzij het lot maken ze nu poppen, maar dit leerlingschap biedt de meisjes weinig hoop voor de toekomst.
Als vuur in het ijs van Luz Gabás (1968) draait om de jonge geliefden Attua en Cristela. De twee moeten noodgedwongen uit elkaar gaan als een burgeroorlog het negentiende-eeuwse Spanje teistert. Hoewel hun liefde voor elkaar wel voorbestemd lijkt te zijn, stuurt het lot genadeloos diverse tegenslagen hun kant op. Zo lukt het Attua maar niet om zijn dromen waar te maken en woedt in Cristela een onverslaanbare strijd tussen gevoel en verstand. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt het leven van de bewoners in de Pyreneeën in gevaar gebracht door een dreigende cholera epidemie.
De 12-jarige tweelingzusjes Stacha en Perle Zamorsky komen in september 1944 aan in Auschwitz-Birkenau. Door hun blonde haar en bruine ogen worden ze al snel opgemerkt door nazi-arts Josef Mengele. Hij is geïntrigeerd door de genetica van tweelingen en de afkomst van deze Arisch-Joodse (‘mischling’) tweeling in het bijzonder. Mengele besluit de zusjes meteen in zijn experiment te plaatsen.
De Australische Eleanor (Ellie) Shipley opent in het jaar 2000 een tentoonstelling over zeventiende-eeuwse vrouwelijke schilders. Eind jaren ’50 heeft ze zich als studente kunstgeschiedenis gespecialiseerd in vrouwelijke schilders uit de Gouden Eeuw en zich in het bijzonder toegelegd op Sara de Vos die in 1631 als eerste vrouwelijke schilder werd toegelaten tot het Sint-Lucasgilde. Niet alleen was Sara de Vos het onderwerp van haar omstreden proefschrift, ook heeft ze in haar studietijd het verzoek van de mysterieuze kunsthandelaar Gabriel Lodge aanvaard om Aan de rand van een bos (1636), het enige schilderij dat aan Sara de Vos is toegeschreven, te vervalsen. Aan de hand van enkele schimmige foto’s van het gestolen schilderij en een handvol bezichtigingen van het origineel, gaat Ellie aan de slag. Terwijl ze op haar studentenkamer in New York in het geheim aan dit project werkt, ontvouwt de roman zich in drie verhaallijnen: Ellie als studente in de jaren ’50, Eleanor als universitair docente en conservator in ’00 en als derde verhaallijn toont de roman stukken uit het leven van Sara de Vos in de Hollandse Gouden Eeuw.
