Creative Writing: Geschreven in water

8 mei 2017

* Alle namen en gebeurtenissen in dit verhaal zijn fictief.

 

Geschreven in water

Ik stond aan de oever van het uitgestrekte meer. Ook nu, jaren later, was het een lange reis geweest. Na de trein had ik de bus genomen en daarna had ik nog een heel eind moeten lopen. Ik deed mijn sneakers en sokken uit. Terwijl ik mijn stekende schouder negeerde haalde ik een voor een de gewichten uit mijn rugzak en bond ze vast aan mijn enkels. Ik voelde mijn voeten wegzakken in de drassige grond en deed een zware stap naar voren, naar het water.

Happend naar adem was ik vanochtend wakker geworden. Door de hoge, smalle ramen viel een vaal ochtendlicht mijn slaapkamer binnen. De muren van gebroken wit verbleekten toen ik het gordijn opzij trok. Het was stil op straat. Het lege huis drukte op mijn huid. Er trok een rilling door mijn lichaam toen ik een hand tegen het koude glas legde. Donkere contouren verschenen in de matte weerspiegeling van het raam. Het gezicht, omlijst met strengen haar, kwam dichterbij. Luchtbellen zweefden rond het hoofd, de mond bewoog en vormde woorden. Ik verstond ze niet. Geschrokken haalde ik mijn hand weg.
Ik ben snel opgestaan. Terwijl ik de steen in mijn maag negeerde, zag ik dat mijn kleding en rugzak al klaar lagen en ik was zomaar vertrokken. Ik moest weg uit dit huis – dit aquarium vol emoties.
Lichtbundels vielen in rijen door de hoge ramen van de uitgestrekte stationshal. Ik voerde mijn tempo nog wat meer op en licht en donker wisselden elkaar steeds sneller af. Als een onafgebroken lichtspel vielen ze voor mijn voeten. Mijn rugzak drukte zwaar op mijn schouder. Ik kon mij niet herinneren wat ik er precies in had gestopt en ik had nu ook geen tijd om te kijken.

De geluiden uit de volle stationshal hingen als een gesmoorde brij in mijn hoofd toen ik de trap af rende richting het perron. Het was een minuut over twaalf – de trein stond op het punt om te vertrekken en ik was net op tijd. Ik liep naar een plaats achterin de coupé, liet mijn zware rugzak naast me neer zakken en wreef over mijn schouder. De stoelen van bruin stof gaven het treinstel van binnen een warm aanzien en in gedachten zag ik voor me hoe ’s avonds de felle wagonlichten tevergeefs de ruimte probeerden af te koelen wanneer de trein ongenadig door het nachtelijke landschap sneed.
De treindeuren sloten met veel lawaai. Terwijl mijn oren plopten en de laatste geluiden mijn hoofd verlieten, besloop me hetzelfde beklemmende gevoel waar ik vanochtend nog zo vluchtig aan had weten te ontsnappen. Het leek wel alsof ik van het ene aquarium in het andere terecht was gekomen. Misschien zou het raamglas breken als ik er maar hard genoeg op zou slaan met zo’n rood hamertje. Ik voelde de spanning in mijn arm toenemen en nadat ik met het rode voorwerp in mijn hand krachtig uithaalde, zag ik hoe de scheuren door het transparante oppervlak braken en als wanhopige klauwen om zich heen grepen. Jouw gezicht zag ik ook, achter wat er nog over was van dit raam en ik hoorde hoe de stationsgeluiden gulzig de coupé binnenstroomden. Maar toen ik naar beneden keek was mijn hand alweer leeg en zag ik door het ongeschonden raam het station langzaam uit het zicht verdwijnen.

–“Hé, kom je nog mee zwemmen?”
Het was laat in de middag op een van de warmste zomerdagen in juli. Ik keek op van mijn boek. Lisa’s blauwe ogen keken mij vragend aan. Haar hoofd hing vlak voor dat van mij, haar wenkbrauwen als twee donkere boogjes naar boven getrokken, ik kon elk detail van haar gezicht zien.
“Het water is echt verfrissend, je weet niet wat je mist,” ging ze verder. “Je leest al zowat de hele middag, tijd dus voor wat échte lol.”
Het kwam er tactlozer uit dan ze bedoelde, wist ik. Ik voelde een natte hand op mijn pols toen ze me van de grond probeerde te trekken. Natte strengen haar hingen langs Lisa’s vrolijke gezicht. Enkele druppels water kwamen neer op de opengeslagen bladzijde van mijn boek.
“Kijk nou wat je doet!” riep ik verontwaardigd uit terwijl ik de bladzijde droog probeerde te deppen met mijn vingers. Ik was zuinig op mijn boeken, maar toch kon ik een glimlach niet onderdrukken.
–“Wie het laatst in het water is moet vanavond afwassen!”
Ik stond op van mijn badhanddoek en zag Lisa lachend wegrennen richting het meertje. Ze stond al kniehoog in het water toen ze zich omdraaide, haar handen tegen haar mond zette en mijn naam riep.
“Oké, oké, ik kom al!” Ik schoof mijn boek in mijn tas. Op vakantie hoefde niemand af te wassen.

Het landschap was nu niet meer dan een verzameling grijze en groene strepen. De vlakke polders hadden plaats gemaakt voor heuvels en bossen. Er was een conducteur langsgekomen voor de kaartjescontrole en ik had hem uit mezelf “een hele fijne dag” gewenst – niet uit sociale wenselijkheid maar uit menselijkheid, want ik besefte dat ik elk woord uit de grond van mijn hart had gemeend.

’s Avonds kwamen onze ouders en Lisa’s oudere broer Ralph met zijn nieuwe vriendin terug van hun wandeling door het aangrenzende natuurpark. Ze hadden voor de verandering Chinees gehaald. Alle bakjes werden zorgvuldig op de houten tafels uitgestald. De kleffe geur van Foe Yong Hai, loempia, bami en – speciaal voor mij – gamba’s vulde de zwoele avondlucht.
“Aanvallen!” schreeuwde Ralph toen alles goed en wel op tafel stond. Hij zwaaide met het plastic bestek vervaarlijk door de lucht, alsof hij in de voorhoede stond van een veldslag die net was begonnen. Zijn vriendin sloeg hem plagerig tegen zijn arm en onze ouders zeiden over en weer “eet smakelijk” tegen elkaar en tegen ons.
Boven mijn plastic bord gamba’s in zoetzure saus keek ik uit over het uitgestrekte meer. Het riet langs de waterkant stak als scherpe, dunne naalden uit de grond, de heldere lucht weerspiegelde in het water en aan de overkant stonden rijen bomen waarachter het bos zich verder uitstrekte. Mijn moeder knipoogde naar mij en gebaarde of ik nog meer wilde eten. Ik schudde mijn hoofd. Vanuit mijn ooghoeken zag ik Lisa naar mij kijken. Ik vestigde mijn blik op mijn laatste gamba die dreigde te verdrinken in de hoeveelheid saus op mijn bord.

Ik had inmiddels muziek opgezet, de ritmische baslijn die dit lied normaal gesproken zo perfect bijeenhield ging op in het denderende kabaal van de trein. Nu moest ik het doen met een uitschietende gitaar, enkele schellende bekkens en de hoge uithalen van de zanger. Ik drukte het oortje dieper in mijn oor, misschien dat zijn woorden dan nog wat beter in mijn hoofd door zouden dringen.

De vakantie liep op zijn eind. Lisa en ik waren weer samen achtergebleven op de open plek bij het meer. Ik las verder in mijn boek en zij trok baantjes in het water. Na de lunch maakte ik, gewapend met mijn camera, een wandeling door het bos om wat verkoeling te zoeken en even de benen te strekken.
Toen ik terugkeerde bij het meer hing het onheil zo dik in de lucht dat ik het bijna door kon knippen zodat het als zware slierten langs mijn lichaam zou vallen. Het telefoontje was snel gepleegd. Onze ouders, Ralph, zijn vriendin en de hulptroepen waren snel ter plekke. Ik heb als verdoofd langs de waterkant gezeten. Even later kwam het lichaam – de blauwe huid stak onnatuurlijk af tegen het witte doek. Woorden van ongeloof en verdriet gleden langs mij heen. Er had zich een glazen wand rond mij opgetrokken, ik had al die tijd niets gevoeld.

Modder kleefde aan mijn blote voeten, het water was ijskoud. Ik draaide mijn hoofd naar de oever. In mijn gedachten was er geen dag voorbij gegaan. Die avond was de zon genadeloos onder gegaan, de weerspiegelende lucht stond in vuur en vlam alsof het water brandde. Vanaf een afstand staarde ik naar mijn ouders, mijn blik gleed naar de ouders van Lisa en bleef rusten op de brede rug van Ralph. Pas toen Ralph zich intuïtief omdraaide, zijn ogen in de mijne vast haakte en zijn gezicht vertrok, niet van verdriet maar van pure haat, weekten de emoties zich los.
Ik deed nog een stap naar voren.

Geef een reactie op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Abonneer  
Abonneren op
%d bloggers liken dit: