Creative Writing: Kunstmatige intelligentie

12 januari 2017

Kunstmatige intelligentie

Hier lagen wij allemaal.

Naast elkaar, in de stilte, op het zoemen van de monitors na. Af en toe bewoog er een vinger of trilde er een ooglid, ze zagen ons, wist ik. Maar je moest weten wanneer ze dat niet deden.

Toen ik hier kwam waren we met vier. Nu met vijf. Er heerste een geheimtaal tussen ons. Een code die verborgen lag in de woorden die wij niet konden uitspreken. Vooral zo min mogelijk bewegen, weerklonk het.

Mijn deken lag opgerold aan het voeteneinde van mijn bed. Ik keek de kamer rond. De lichamen in de bedden waren als cocons in dekens gewikkeld, alsof ze wachtten op een ingewikkelde transformatie. De muren weerkaatsten al de hele nacht silhouetten in de kamer. Ze dansten onwillekeurig als marionetten door de ruimte. Doof mijn ogen uit1, dacht ik, ze hebben genoeg gezien.

Ik stapte uit bed. De vloer voelde koud aan onder mijn voeten. Ze registreerden nu elke beweging, maar het maakte niets uit. Aan het eind van de nacht zou ik weer naar mijn bed teruggaan en slapen tot het buiten licht was.

Hier kende ik alle kamers – behalve eentje. Wanneer het tijd was, zou ik het weten. Onbewust trok ik een vergelijking met de ruimte in mijn gedachten, deze leek eindeloos, het was moeilijk te vergeten.

Ik liep de gang op. De kamerdeuren kende ik zo onderhand wel. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit, massieve witte deuren met een dikke plastic hendel, alsof ze bang waren dat iemand zou vergeten hoe hij open moest. Achter deze deuren stonden meer bedden waarin nog meer cocons lagen te wachten om weer door het leven te worden gevangen.

~~~

Het was fris toen we over de boulevard liepen. Het strandje lag achter ons, als een oase, aan de rand van de stad. Rechts schuimde de zee, de kleuren van de ondergaande zon vervaagden tot een wazig wit langs de horizon.

Ik opende mijn mond om je iets te zeggen, omdat dit er wel het moment voor was. De stilte hing tussen ons als glas dat elk moment van spanning uit elkaar kon spatten. Toen verschroeide de lucht, mijn huid veegde open over het asfalt en ik proefde een ijzersmaak. Door de klap kantelden mijn woorden via mijn mond mijn hoofd uit. Op de kade bleef mijn lichaam liggen in een hoek die ik zelf ook niet begreep. Als het pijn deed voelde ik in ieder geval niets. Misschien was dit wel een vorm van kunstmatige intelligentie, weten wanneer er teveel is van iets en het dan herleiden tot niets overbleef.

Zo uit het leven gegrepen, zeggen ze weleens. Of in dit geval bijna, want soms mislukt zelfs dat en word je weer teruggeplaatst in de hoop dat het je allemaal nog past. Ik liep verder de gang op. Lig je hier ook, wilde ik weten, jij had immers naast mij gelopen toen de kade geruisloos versplinterde en we als scherven neervielen. Bij de laatste deur bleef ik staan.

Als je er ligt, wil je dan dezelfde weg lopen, vroeg ik – dezelfde weg, maar dan omgekeerd. Langs de terrasjes aan de boulevard, terug naar het strand waar de wielen niet langer vooruit konden. Vanaf daar volg je de stroming van het water, we verschijnen wel weer als het allang is geweest – spoelen aan als flessenpost met een onbestemde boodschap.

Ik opende mijn ogen. Ze vertelden dat het goed was, dat ik er weer was, bedoelden ze, alsof ik nu uit twee versies bestond. Of ik pijn had, ja mijn ziel, zei ik. Was mijn zoektocht dan voor niets geweest, vroeg ik, maar ze schudden van niet, ook al verraadden hun gehaaste glimlachen van wel. Ik moest nog maar even rustig blijven liggen.

1 Dit zinnetje is afkomstig uit een gedicht van Rainer Maria Rilke getiteld: “Lösch mir die Augen aus.” (Nederlandse vertaling door Menno Wigman).

Geef een reactie op dit artikel

avatar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

  Abonneer  
Abonneren op
%d bloggers liken dit: