Stadsschetsen ©

Het was een regenachtige herfstdag toen ik vanaf mijn schrijftafel naar buiten keek. De winter stond voor de deur. De grijs grauwe lucht huilde een spoor van glinsterende diamanten op de ruiten. Schaduwen van de takken van de boom naast de roestkleurige bakstenen van het appartement bewogen zich geruisloos als kwaadaardige klauwen over de muren van mijn kamer.
Ik verstelde mijn stoel en keek over mijn bureau. Stapels boeken lagen op de linkerhoek naast de bureaulamp. Een glas wijn stond naast een zwarte schrijfmachine waarin een splinternieuw vel gewikkeld zat. Naast de schrijfmachine lag een stapeltje vol getypte vellen papier. Op het bovenste vel stond: “Stadsschetsen.”
Ik stond op uit mijn stoel en een zacht gekraak vulde de atmosfeer. Donkere wolken raasden in sneltempo langs de hemel. Mijn voeten sloften over de donker houten vloer terwijl ik naar het raamkozijn liep. De wind stak op en gierde huilend om het pand. Buiten was het nu uitgestorven, op enkele rondzwervende straatkatten na. Ze krioelden als korrels slaapzand tussen de winkelstraten en de stadspleinen gaapten ze na. De straten en steegjes beneden dommelde langzaam in. Het zal niet lang meer duren of de stad sliep.
Mijn blik gleed over mijn bescheiden kamertje. Het lichtbruine behang aan de muren gaf het geheel een groezelige aanblik. In de hoek stond een rijke boekenkast. Op mijn bed lag een gerafelde donkerblauwe sprei. Aan de muur hing een schilderij van een landschap. De kleuren ademden leven in het vertrek. Levendige voorstellingen van dichtbegroeide bossen met machtige kastelen vormden zich op mijn muren, mijn sprei stroomde als een diepe oceaan en golven spoelden aan op de houten vloer dat nu was veranderd in een wit zandstrand. Even snel als ze gekomen was, druppelde het schouwspel terug in de lijst aan de muur.
Regen kletterde tegen de raamkozijnen en spoelden de fantasieën uit mijn hoofd. Zodra de avond viel, voelde ik een zekere loomheid mijn ziel vullen. Een samenspel van zwevende pianoklanken en zachte gitaarklanken bijeengehouden door ritmische bassnaren vulden de stille leegte om mij heen vanuit de grammofoon op de bijzettafel naast de boekenkast. Een warme, donkere mannenstem hing de woorden in mijn kamer op. Glazen wijn doorweekten mijn geest met weemoed naar vroegere tijden.
In het schemerdonker weerklonk op dat moment de wandklok, me vertellend welk uur het was. Het wekte me enigszins uit mijn dromerige toestand. Een zwak schijnsel van een straatlantaarn was het enige licht dat mijn kamer op dit moment verlichtte. Ik voelde me één met de schaduwen. Ik was als een schim op mijn dromerige gelaat. Ik was niets in een oneindig universum van dagdromen waarin niets werkelijkheid is en werkelijkheid niets.

De avond was gevallen en ik raapte mijzelf bijeen. De regen tikte onophoudelijk tegen de dakpannen en ik pakte mijn jas van de haak. De muziek was al eerder weggestorven in de kalmte van mijn kamer. Ik nam de zwarte paraplu uit de bak en stapte even later door de deur naar buiten. De gure wind sneed door mijn jas en regendruppels kletterden tegen mijn huid. Ik klapte mijn paraplu open en hield hem met moeite tegen de wind in. Ik begon te lopen. Enkele minuten later was ik gewend aan de temperatuur en de weersomstandigheden waarin ik me had gewaagd. Ik voelde me een reiziger zonder bestemming.
De regen tikte ritmisch tegen mijn paraplu alsof het me een looppas aan wilde geven. Ik liep waar de straattegels voor mijn voeten vielen, ongedwongen een pad uitstippelend naar een onbekende bestemming. Winkelruiten gleden aan me voorbij, straten nodigden me van alle kanten uit alsof ze wilden zeggen: ‘laat mij je de weg wijzen.’
Ik voelde me echter nog steeds een dwalende avonturier die vanbinnen langzaam verteerde in eenzaamheid. Ik passeerde de talloze kleine steegjes. Enkele verlichte ogen staarden me vanuit de sinistere schaduwen aan.
Ik sloeg er geen acht op.

Zonder het volledig te beseffen bereikte ik het grote plein in het centrum van de stad. In het midden prijkte de statige kerk. De hoge gotische torens staken nauwelijks af tegen de zwarte hemel. De kinderkopjes leidden me via de enorme poort onder de kerk naar de winkelstraatjes erachter.
Ondanks het weer streelden accordeonklanken mijn oren. Mijn voeten volgden de muziek en op de kruising langs de brug over de gracht zat een man onder een windscherm. Mijn voetstappen klonken ritmisch op de straattegels en de muzikant begon overtuigender te spelen toen hij mij in het oog kreeg. Doorweekt zat hij daar op een klapstoeltje te spelen. Voor zijn voeten stond een conservenblik, waarschijnlijk voor geld. Ik haalde enkele muntjes uit mijn jaszak, de kou zette in en ik verbeeldde me dat ik wel eens de enige passant voor de accordeonist zou kunnen zijn vanavond.
De regen in het blik spetterde op toen de muntjes rinkelend neerkwamen. Opeens omsloot een hand mijn arm en dwong me tot stilstand. De ritmische klanken van de accordeon stierven langzaam weg. Ik draaide me om naar de man en een schok ging door mijn lichaam. Zijn gezicht was misvormd en één groot, felblauw oog staarde mij aan vanonder de pet. De oogleden waren naar achteren getrokken; het andere oog was slechts een lege oogkas. De mond van de muzikant was gevormd tot een macabere grimas, de lippen op getrokken. De neus stond scheef en de linker neusvleugel ontbrak. Ik voelde hoe het bloed in mijn gezicht wegtrok bij de aanblik van het wanstaltige, leerachtige gezicht tegenover mij. Mijn hartslag versnelde en een zuchtje adem ontsnapte over mijn lippen. De man verstevigde zijn greep om mijn arm; de regen druppelde in mijn haar en ogen.
Plotseling waaide het conservenblik kletterend om en rolde weg over de tegels. De muntjes vielen rinkelend op straat. De man stond op en het windscherm scheurde. Als in een reflex rende ik over de brug en behendig stopte ik het blikje met mijn voet en verzamelde de muntjes en deed ze terug. Ik snelde terug naar de man, reikte hem het blik aan en bleef verdwaasd staan. Het windscherm lag in stukken op de natte straat, de man verzwakte en zakte gekromd in elkaar. Bubbels bolden op en ik zag hoe de leerachtige huid week werd en op de tegels droop. In een onnatuurlijke houding smolt de man weg in de stromende regen.
Ik keek vol afschuw naar het tafereel dat zich voor me had afgespeeld en keek vervolgens naar mijn hand, en hoorde hoe de muntjes tegen het blik kletteren. Ik graaide in het blik, voelde een nat stuk opgevouwen papier en het haalde het eruit. Er stond een straatnaam op die ik nog maar net kon lezen. Ik herkende het adres en was er wel vaker geweest: de boekwinkel een paar straten verderop. Ik stopte het papier in mijn jaszak en liep richting een steegje. Ik wist dat dit de snelste weg was om bij de boekwinkel te komen.

Enkele minuten later stond ik voor de etalage. Ademwolkjes verdampten tegen het glas terwijl ik naar binnen tuurde.
Niemand.
Ik zag slechts een rij boekenkasten aan de wand staan en de kassa aan de linkerkant van het vertrek. Ik liep naar de deur, ‘je weet maar nooit’ dacht ik.
De hendel ging krakend omlaag en ik voelde de deur meegeven. De deur was niet op slot! Ik sloop op mijn tenen naar binnen en sloot geruisloos de deur. Een licht schijnsel van de lantaarnpaal aan de overkant van de straat scheen door de ruit van de etalage. Zachtjes liep ik naar de boekenkasten en liet mijn vingers langs de ruggen van de boeken gaan.
Plotseling voelde ik iets bij mijn been. Ik keek geschrokken omlaag. Felgroene ogen staarden terug.
‘Miaaauw!’ Een kat.
Mijn spieren verslapten zich en ik liet mijn adem gaan. De kat sprong op de ladder die schuin tegen de kast aan stond en stopte vervolgens op een boekenplank; hij keek me ondertussen strak aan. Ik pakte een boek van de plank waar de kat op zat. Ik hield de kaft in het flauwe schijnsel en de zilveren letters glinsterde herkenbaar in het licht. Ik hapte naar adem. Mijn ogen lazen: ‘Stadsschetsen.’
De kaft was van zacht blauwe stof en toonde een grauwe kamer met licht bruin behang. In de hoek stond een boekenkast en aan de muur hing een schilderij. Mijn hart sprong op. Achter het bureau zat een schaduw met zijn hoofd voorover te slapen. Een wijnglas stond gevaarlijk dicht op de rand van het bureaublad.
Mijn handen trilden en de kamer tolde terwijl ik het boek met een doffe klap op de grond hoorde vallen.

Ik opende mijn ogen.
Ik herkende mijn kamer.
Ik verschoof mijn hand en met een luid gerinkel viel het wijnglas van mijn bureau.
De resterende wijn druppelde als bloed op de vloer. Op de achtergrond hoorde ik muziek. Ik wreef door mijn haar en mijn blik viel op de schrijfmachine. Met een schok zag ik dat er een korte alinea was getypt. Ik las het door en mijn maag draaide zich om.
De laatste zin las ik hardop voor; ‘mijn handen trilden en de kamer tolde terwijl ik het boek met een doffe klap op de grond hoorde vallen.’
De laatste woorden onderaan het vel brandden zich op mijn netvlies:

Wordt vervolgd.

%d bloggers liken dit: