Wobie – een anagram van Bowie? –, de naam die Splinter Chabot zichzelf geeft in zijn autobiografische debuutroman Confettiregen, heeft een sprookjesachtige jeugd. Moeder werkt als arts en tovert in zijn beleving iedereen beter. Vader is schrijver; het magische getik vanuit zijn schrijfkamer noemt Wobie ‘schrijversregen’. Wobies kant van de slaapkamer, die hij deelt met zijn jongere broertje, is knalroze. Op zijn bed ligt lievelingsknuffel Tijger die in zijn hoofd allerlei avonturen beleeft en met hem mee naar school gaat. Wobie voelt zich anders dan de andere jongens in zijn klas. Hij is druk, houdt van toneel, kiest voor roze in plaats van blauw en trekt het liefst vrolijke outfits aan in alle kleuren van de regenboog. Zijn wereld is een wereld vol glitters en confetti. Een beschermde wereld ook, want Wobies ouders schermen hun kinderen zoveel mogelijk af van het nieuws. Aan de hand van korte, dagboekachtige hoofdstukken groeit Wobie op – een worsteling waardoor de onbezorgde confettiregen in zijn leven steeds meer verandert in een mistige hoosbui.
