Hannah is net vijftig als ze te horen krijgt dat haar vader door alvleesklierkanker terminaal ziek is. Haar acht jaar oudere zus zit op dat moment in een afkickkliniek. Hannah wordt al snel aangewezen als de primaire mantelzorger van haar vader. Een beladen taak die ze, ondanks goedbedoelde aansporingen van haar man Jonas, met tegenzin op zich neemt en die haar vervult met afschuw en wrok: ‘Weerzin om hem aan te raken verlamt haar. (…) Een stil genoegen nestelt zich in haar buik. Hem in zijn sop gaar laten koken, zoals hij dat ooit met haar deed…’ Wilgenkind van Josha Zwaan wisselt twee tijdlijnen met elkaar af: het heden waarin Hannah haar zieke vader verzorgt en het verleden waarin ze als jong meisje zorg droeg voor haar afwezige, eveneens zieke moeder. Hoe meer vaders toestand verslechtert, hoe dieper Hannah graaft in haar veelbewogen jeugd.
