Afgelopen januari zat ik samen met vier andere Hebban-recensenten in het Hot or Not panel rondom de debuutroman Hoor je me van Rob Kamphues (1960). Onder het motto vijf recensenten. één boek. één verdict wordt een boek (kritisch) onder de loep genomen en op verschillende punten beoordeeld. Op Hebban kun je het hele artikel lezen. Hieronder lees je mijn persoonlijke mening over de psychologische debuutroman van Kamphues.
In De plectrumfabriek, de debuutroman van Vincent van Warmerdam (1956), verhuist de 10-jarige Wessel met zijn ouders, broers en zussen naar een stormachtig havenstadje. Het gezin komt te wonen boven de Rex, een theater en bioscoop in één, waar Wessels vader ambitieus aan de slag gaat als toneelmeester. Terwijl Wessel zijn vader regelmatig (tegen zijn zin in) assisteert bij zijn werkzaamheden, leert hij al snel de geheimen van het toneel kennen, maar veel doet het hem niet.
In het Gelderse dorpje Beek, vlakbij Nijmegen, dwaalt al eeuwen een heks rond. Ze heeft de gewoonte om in en om het dorp plotseling te verschijnen. Soms staat ze urenlang roerloos voor zich uit te staren. Althans, dat lijkt zo want in werkelijkheid zijn haar ogen met donker garen dichtgenaaid. Elke inwoner van Beek weet dat de ogen van de heks nooit geopend mogen worden. Om te voorkomen dat dit toch gebeurt, hangen de straten van Beek vol met camera’s die zijn verbonden aan het HEX-controlecentrum. Inwoners kunnen via de HEXapp laten weten waar de heks zich op ieder moment bevindt.
Wanneer de moeder van de ik-persoon overlijdt aan kanker, proberen vader en dochter samen hun leven weer op te pakken. Vader is hoofd van een psychiatrische inrichting en heeft het hart op de goede plek. Moeder was actrice en werd verteerd door een minderwaardigheidscomplex dat ze van alle kanten probeerde te compenseren. Zo wilde ze het liefst een wonderkind en deed, in het bijzijn van andere mensen, dikwijls alsof haar dochter zo’n kind was. De ik-persoon weet nog goed dat haar moeder “het ook vaak had over uitstraling, en vooral over mensen die dat niet hadden. Dat waren verschrikkelijke mensen. Die waren nog erger dan lelijke mensen.” Een opmerking die jaren later nog altijd donkere schaduwen werpt over het leven van de hoofdpersoon. Want, vraagt ze zich terecht af, wat is deze uitstraling eigenlijk en hoe verkrijg je het als dat nu juist net is wat je mist?
Vorige week schreef ik een verslag over de uitreiking van de Hebban Awards 2016. Als jurylid van de Hebban Debuutprijs 2016 heb ik een korte recensie geschreven over de vijf genomineerde boeken op de shortlist. Deze week deel ik een overzichtje van mijn recensies, met bovenaan mijn persoonlijke nummer 1. Heeft mijn favoriete boek de Debuutprijs gewonnen? Lees snel verder!
De tweeënveertig jarige Anne Koster lijkt haar leven goed op de rit te hebben. Ze heeft een succesvolle carrière als tv-presentatrice en een bestaan opgebouwd in Amsterdam samen met haar acht jaar jongere vriend Sam Knippenberg. Het enige wat in haar leven nog ontbreekt is een kind. Anne wordt door deze kinderwens volledig in beslag genomen.
De 57-jarige Angelique is terminaal ziek en wordt verteerd door, zoals ze het zelf noemt, “zwarte stippen” in haar lijf. Ze slijt haar dagen thuis, bij het raam, in haar huis in Amsterdam dat ondanks de gebruikelijke drukte van de stad toch leeg voelt.
Suzy Koster is in de dertig en keert terug naar haar geboorte-eiland Gozo om voor haar ongeneeslijk zieke vader, Alfred, te zorgen. Tijdens haar verblijf op Gozo pakt ze haar werk als serveerster en keukenhulp in het familierestaurant weer op en komt ze in aanraking met de eilandbewoners die ze jarenlang niet heeft gezien. Wanneer ze van een afstand het weemoedige leven van haar vader gadeslaat, beseft ze dat voor hem de tijd op dit eiland al die jaren stil heeft gestaan. Tegen wil en dank doet het eiland ook bij Suzy oude herinneringen oplaaien – pijnlijke herinneringen aan haar verdwenen moeder en een noodlottig verlies die ze in de tien jaar dat ze Gozo heeft verlaten onwillekeurig had verdrongen.
