Na Van niemand en Tot het niet meer gaat sluit Vincent Oostrijck zijn autobiografische, verhalende gedichtenreeks af met Ik laat jou niet vallen. Dit slotdeel van het drieluik bevat ruim vijftig gedichten vol oude, maar ook nieuwe personages. Zo voegt Oostrijck nieuwe gedaantes toe aan de charismatische Meneer De Bruin (alcoholist, verzamelaar en vrouwenversierder) om de vriendschap door de dood heen te eren. Het lyrisch ik laat de lezer daarnaast kennismaken met een bonte verzameling excentrieke mannen. Van Monsieur Le Craque die in een Brabantse volkswijk woont tot Harry Vogel die de nodige drama op de werkvloer creëert. En dan is er Tandpastatubeman die zijn baan verliest, een kunstgebit neemt en een oplossing biedt voor een van de meest herkenbare discussies. Omgaan met veranderingen, jeugdherinneringen en ziekte zijn terugkerende thema’s in de poëziebundel. Meer nog gaat het over onvoorwaardelijke liefde (Oostrijck draagt de bundel op aan zijn vrouw Angélique) en jezelf kunnen, mogen en willen zijn.
Na zijn melancholisch geconstrueerde debuutbundel Van niemand is er nieuw werk van Vincent Oostrijck. De rij opmerkelijke personages die in zijn verhalende, deels autobiografische, gedichten de revue passeren, wordt langer in Tot het niet meer gaat. Een afgedankt knuffelbeest dat tussen het straatvuil ligt, een snackbarhouder die van Russische literatuur houdt (en nog meer van zijn hond) en de vele gedaantes van Meneer de Bruin (bedtester, nachtwaker, vriend en reisgezel) laten zien hoe een klein detail of onverwachte wending de realiteit kan ombuigen. Dat die realiteit soms pijnlijk is, is een terugkerend thema in de poëziebundel. Zo luidt in het titelgedicht: ‘Ze is dood aan het gaan / Ze is gepeld als een ui / Haar ooit zo sterke lichaam / Verdwijnt laagje voor laagje.’ Om tegenwicht te bieden aan het verlies van Oostrijcks moeder zoekt het lyrisch ik troost in een paradijselijk oord in de weelderige natuur. De geheime tuin beschrijft deze locus amoenus als: ‘Een veilige haven / Tussen de verschillende werelden / Het leven en de dood / Hebben zich op deze magische plek / Verzoend met elkaar.’ De man die het lyrisch ik beschrijft, blijft echter nuchter: ‘Toch gaat hij er ook altijd weer weg /…
Een man die de uren aftelt, een jongen uit het verleden die gesprekken voert met de man die hij in de toekomst is, een puzzelaar, de aquariumman en een overwerkte marketingmanager. Het zijn enkele figuren uit de (deels autobiografische) prozagedichten in Van niemand, de debuutbundel van Vincent Oostrijck. Kleine appartementen, grauwe steden en schoorvoetende terugblikken op een jeugd in de jaren 70 en 80 vormen herhaaldelijk het decor van de absurdistische, verhalende verzen. De bundel bevat poëzie gelijk aan kille herfstdagen, verregende straten en vallende bladeren die de vergankelijkheid van het leven nog eens extra benadrukken. De stijl en sfeer is dan ook melancholisch en somber, met gevoelens van zinloosheid en afzondering die soms aangenaam bitterzoet zijn om in te zwelgen, zoals in het titelgedicht: ‘Hij voelt zich licht / Als een veertje’, aangesloten door: ‘Geen sporen / Of voetafdrukken / Laat hij achter / Zo zie je hem / En zo niet meer.’
