Willa Fernsby woont samen met haar vijf zussen en hun papper in het ondoorgrondelijke moerasland. Aan het begin van dit ‘gothic plattelandssprookje’, zoals Lucy Strange De zusjes in het Verzonken Moeras in het nawoord omschrijft, is de twaalfjarige Willa in een hoog oplopende ruzie verwikkeld met haar papper. Oudste zus Grace moet van hem trouwen met de welvarende, maar veel oudere Silas Kirby. Willa is het daar niet mee eens en doet er alles aan om de uithuwelijking tegen te houden. Tevergeefs, want aanleiding voor het wrede lot van Grace is pappers hardnekkige angst voor ‘de vloek van zes dochters’. Het volksrijmpje voorspelt dat de zesde dochter hem ‘in ’t graf’ legt als de overige vijf niet trouwen, het huis op orde houden of werken op de boerderij. Na een nachtelijk bezoek van de zussen aan het mysterieuze Vollemaancircus is Grace spoorloos verdwenen. Willa besluit het duistere moeras in te trekken op zoek naar haar zus.
In een smalle straat in Tokio zit het bijzondere koffiehuis Funiculì Funiculà verstopt. Door de ondergrondse ligging wordt het interieur er onafgebroken in sepia gekleurd. Geen enkele klok die er hangt geeft de juiste tijd aan. Behalve het inschenken van met zorg gebrouwen koffie heeft het café bekendheid verworven door een rol te spelen in een mysterieuze stadslegende. Volgens deze folklore zouden cafégasten tijdens het drinken van hun koffie terug kunnen reizen in de tijd. Hier hangen wel wat regels aan vast. De belangrijkste is dat de reis niet langer mag duren dan het warm opdrinken van een kopje koffie. Voordat de koffie koud wordt van Toshikazu Kawaguchi volgt vier cafégasten die allemaal een andere motivatie hebben om nog één keer terug te keren naar een belangrijk moment in hun persoonlijke geschiedenis.
Hannah is net vijftig als ze te horen krijgt dat haar vader door alvleesklierkanker terminaal ziek is. Haar acht jaar oudere zus zit op dat moment in een afkickkliniek. Hannah wordt al snel aangewezen als de primaire mantelzorger van haar vader. Een beladen taak die ze, ondanks goedbedoelde aansporingen van haar man Jonas, met tegenzin op zich neemt en die haar vervult met afschuw en wrok: ‘Weerzin om hem aan te raken verlamt haar. (…) Een stil genoegen nestelt zich in haar buik. Hem in zijn sop gaar laten koken, zoals hij dat ooit met haar deed…’ Wilgenkind van Josha Zwaan wisselt twee tijdlijnen met elkaar af: het heden waarin Hannah haar zieke vader verzorgt en het verleden waarin ze als jong meisje zorg droeg voor haar afwezige, eveneens zieke moeder. Hoe meer vaders toestand verslechtert, hoe dieper Hannah graaft in haar veelbewogen jeugd.
In The Nightmare Before Christmas van Tim Burton is Jack Skellington als Pumpkin King van Halloweenland het brein achter de meest griezelige dag van het jaar. Maar na jarenlang mensen de stuipen op het lijf te hebben gejaagd wil hij wel eens iets anders. Tijdens een wandeling stuit hij op gekleurde deuren gekerfd in het hout van enkele bomen in het bos. Jack belandt in het kleurrijke Christmas Town waar hij een plan bedenkt hoe hij zijn leven weer wat spannender kan maken. Hij is het zat om door iedereen te worden gevreesd met zijn huiveringwekkende ‘tricks’. Als hij nu eens één keer Santa zou zijn, verantwoordelijk voor de magie van kerst en het brengen van cadeautjes, zou hij dan ervaren hoe het is om door iedereen te worden geliefd?
Na een turbulente jeugd is de zesentwintigjarige Flo het liefst alleen. Haar moeder stierf na haar geboorte door een bacteriële infectie en de band met haar vader, die microbioloog is, is complex. Het enige dat ze met hem deelt is de fascinatie voor (probiotische) bacteriën. In de wereld van het microbioom vindt Flo haar nieuwe familie. Ze schuwt ieder menselijk contact, haalt haar boodschappen bij een avondwinkel waar ze niets hoeft te zeggen en raakt steeds meer in een isolement. De bacteriefluisteraar van Sanne Kreuze volgt Flo op een kantelpunt in haar leven. De bacteriën brengen haar slecht nieuws: ‘mensen die weinig in diep intermenselijk contact komen met andere wezens, krijgen geleidelijk aan, zo na hun vijfentwintigste, een steeds kleinere diversiteit aan bacteriën.’ Flo besluit het welzijn van haar bacteriën op te krikken door in therapie te gaan. Maar dan ontmoet ze de spirituele Dreyfuss die haar bacteriële huishouding compleet overhoop gooit.
Leen Huet verliest in korte tijd zowel haar vader als haar moeder. Van haar vader neemt ze afscheid in de door regels gestuurde coronaperiode en haar dementerende moeder overlijdt twee jaar later rond de kerst. In dagboekvorm legt ze haar complexe rouwproces vast en doet ze pogingen haar gevoel ‘wees’ te zijn onder woorden te brengen. Het resultaat is Weerbots, een novelle die rouwgevoelens onderzoekt en de manieren waarop natuur, kunst, filosofie en literatuur een constante in haar leven zijn die altijd troost bieden. Huet neemt de lezer mee in haar dagelijkse beslommeringen, diverse schrijf- en redactieprojecten en de gedachten die haar sinds de dood van haar ouders bezighouden. De autobiografische invulling plaatst de lezer dicht op de huid van de auteur die een realistisch inkijkje krijgt in Huets kleine, erudiete wereld.
Het naamloze hoofdpersonage in Geen toekomst alstublieft van Mathijs Heuvel lijkt een normaal leven te leiden. Hij werkt in een bibliotheek, heeft een relatie met Merel en een handjevol vrienden. Toch wordt al vroeg in het boek duidelijk dat hij als twintiger nog altijd worstelt met onverwerkte trauma’s uit het verleden. Na de zoveelste ruzie met Merel dwaalt hij doelloos door de stad. Met in zijn achterhoofd het aanbod van vriend Constantijn om op kunstenaarsretraite te gaan in een Spaanse vallei, maakt hij de balans op. Zijn leven voelt zinloos, zijn baan nutteloos en de relatie met zijn vriendin bloedt langzaam dood. Spanje voelt als een perfecte, maar obscure vlucht: ‘een tweede zelfmoordpoging’, want Merel gunt hij ‘iemand met enige toekomst’, zijn ouders kunnen ‘eindelijk opgelucht ademhalen’ en in zijn hoofd ‘trekt de duisternis zich terug’.
De Trojaanse oorlog is een van de bekendste verhalen uit de Griekse mythologie. Hoewel nooit is aangetoond of de gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden, hebben veel Griekse dichters over het beleg van de Trojaanse citadel geschreven. Het beroemdste – en ook meest waarheidsgetrouwe – werk is de Ilias waarin Homerus uiteenzette hoe Helena, de vrouw van de Spartaanse koning Menelaos, werd geschaakt door Paris (in het boek: Alexandros), de zoon van de Trojaanse koning Priamos. Een beslissing die indirect de tien jaar durende Trojaanse oorlog ontketende en de verhoudingen tussen verschillende families op scherp zette. Waar de overgeleverde verhalen meestal beginnen met de beruchte twistappel, geworpen door godin Eris op het huwelijksfeest van koning Peleus en zeenimf Thetis, neemt schrijver en historicus Jacqueline Zirkzee in haar debuutroman Mykene de lezer allereerst mee terug in de voorgeschiedenis van de Trojaanse oorlog.
