In een smalle straat in Tokio zit het bijzondere koffiehuis Funiculì Funiculà verstopt. Door de ondergrondse ligging wordt het interieur er onafgebroken in sepia gekleurd. Geen enkele klok die er hangt geeft de juiste tijd aan. Behalve het inschenken van met zorg gebrouwen koffie heeft het café bekendheid verworven door een rol te spelen in een mysterieuze stadslegende. Volgens deze folklore zouden cafégasten tijdens het drinken van hun koffie terug kunnen reizen in de tijd. Hier hangen wel wat regels aan vast. De belangrijkste is dat de reis niet langer mag duren dan het warm opdrinken van een kopje koffie. Voordat de koffie koud wordt van Toshikazu Kawaguchi volgt vier cafégasten die allemaal een andere motivatie hebben om nog één keer terug te keren naar een belangrijk moment in hun persoonlijke geschiedenis.
Haruki Murakami is in Japan, maar vooral daarbuiten, een gevierd schrijver. Omdat hij zelden tot nooit interviews geeft, is de persoon Murakami net zo ongrijpbaar als de magisch-realistische plotwendingen in zijn romans. Zijn voornaamste reden om in de anonimiteit te blijven: ‘omdat ik er niet van houd om aangesproken te worden als ik over straat loop.’ En dat over straat lopen gebeurt nogal eens. Waarover ik praat als ik over hardlopen praat is een verrassend autobiografisch, dagboekachtig relaas over zijn ‘hardlopend leven’ en de invloed van deze sport op zijn carrière als schrijver. (Al noemt Murakami zijn boek liever ‘een soort memoires’ of ‘louter een verzameling essays’.) In 1982, hij was toen drieëndertig, verkocht hij de jazzclub die hij samen met zijn vrouw runde, en legde zich vervolgens volledig toe op het schrijven van romans. Om in vorm te blijven begon Murakami in datzelfde jaar serieus met hardlopen. Een verzameling nauwgezette aantekeningen neemt de lezer mee langs loodzware trainingen, zijn deelname aan marathons en triatlons en de ijzeren discipline die nodig is om het lopen, maar ook het schrijven, vol te houden.
Kafka Tamura is de ‘toughste’ vijftienjarige ter wereld als hij van huis wegloopt. Volgens zijn vader kleeft er aan Kafka – een pseudoniem – een oedipaal lot. Hij voorspelt dat zijn zoon hem zal vermoorden en met zijn moeder en zus zal slapen. Door alles achter zich te laten tart Kafka niet alleen het lot, hij neemt ook afscheid van een veelbewogen jeugd waarin hij door zijn moeder en zus werd achtergelaten bij zijn vader. Kafka reist met de bus naar Shikoku, het eiland der verlichting, bekend van de pelgrimsroute langs 88 tempels en witte zandstranden. Voor Kafka niets van dit alles – hij vindt geborgenheid in een bibliotheek onder de vleugels van de genderfluïde Oshima die hem later onderdak biedt in de bossen. Behalve de surrealistische gebeurtenissen rondom de tienerjongen verhaalt Kafka op het strand van Haruki Murakami over Satoru Nakata, een zestiger die met katten kan praten. Een gave die hij kreeg aan een klassenuitje gedurende de Tweede Wereldoorlog toen hij op onverklaarbare wijze tijdelijk zijn bewustzijn verloor.
‘Ik zei niets tegen mijn man over de trance of over het feit dat ik de hele nacht geen oog had dichtgedaan’, laat de naamloze vrouw in Slaap van Haruki Murakami de lezer halverwege het verhaal weten. Dat Murakami schrijft over en vanuit een vrouw is zeldzaam, maar zoals vaker in zijn werk leidt het bijna dertigjarige hoofdpersonage ook hier een ‘heel gelijkmatig, heel regelmatig’ leven. Ze zorgt voor haar kind, maakt eten klaar voor haar man die als tandarts de kost verdient, rijdt met haar Honda City naar de supermarkt voor boodschappen en doet het huishouden. Het ‘soort slapeloosheid’ waar ze als gevolg van een nachtmerrie aan leidt, geeft haar leven een nieuwe dimensie. De vrouw besluit ’s nachts te doen waar ze overdag niet aan toekomt: cognac drinken, chocolade eten en boeken lezen. Vooral Anna Karenina van Leo Tolstoj blijkt een favoriet. De keuze voor juist deze lijvige Russische roman is opvallend: net als Anna leidt de vrouw immers een beschermd, maar beklemmend leven.
De onzichtbare kracht die een aardbeving teweegbrengt, kan aan de oppervlakte een grote ravage aanrichten. In Haruki Murakami’s verhalenbundel Na de aardbeving vinden na de verwoestende aardbeving van Kobe in 1995, en verspreid over zes verhalen, verschillende naschokken plaats. Magisch realistische naschokken welteverstaan, die zich onder meer openbaren in de vorm van een plotselinge scheiding (Een ufo in Kushiro), een levensgrote kikker met een heroïsche missie (Kikker redt Tokyo) en een geheimzinnige droomvoorspelling in Bangkok (Thailand). De getroffenen van deze subtiele, maar verraderlijke naschokken zijn willekeurige mensen die ogenschijnlijk niets met elkaar gemeen hebben: een studente, een arts, een schrijver. Gaandeweg de bundel wordt duidelijk dat niet alleen de gebeurtenis van de aardbeving – die vaak kilometers verderop plaatsvindt – als een rode draad door de verhalen heen loopt, maar ook het ingrijpende en onomkeerbare effect van de daaruit voortvloeiende naschokken die de levens van ieder personage genadeloos opschudt.
Samen met zijn geliefde verdronk Osamu Dazai op 13 juni 1948 in het Tamagawa kanaal. Nadat hij in het verleden meerdere zelfmoordpogingen ondernam, kwam er met deze dubbele zelfmoord een einde aan de worstelingen die het leven van Dazai sinds zijn kindertijd kenmerkten. In zijn semi-autobiografische roman Als mens mislukt worstelt Yozo Oba eveneens met het leven. Opgedeeld in drie notitieboekjes kruipt de lezer in het hoofd van Yozo als kind, tiener en jongvolwassene. Aan het begin van de twintigste eeuw groeit Yozo op in een welvarende familie op het Japanse eiland Honshu. Al vroeg ontdekt hij een zekere afstand tot zijn omgeving en een onvermogen om zich bij andere mensen op zijn gemak te voelen: ‘Ik was uiterst bang voor mensen en tegelijk bleek ik maar niet in staat me volledig van hen af te snijden.’ Om zijn beklemmende angsten en depressies te maskeren, besluit Yozo zijn omgeving te vermaken met clowneske uitspattingen: ‘Het was mijn ultieme manier om de liefde van mensen te winnen.’ Wanneer een klasgenoot dwars door zijn toneelspel heen kijkt, raakt Yozo steeds meer vervreemd van de samenleving.
De tweeëntwintigjarige Sumire heeft in Spoetnikliefde van Haruki Murakami grote ambities. Ze wil een ‘dikke negentiende-eeuwse totaalroman’ schrijven en heeft daarvoor haar studie afgebroken. Ondanks haar geïsoleerde bestaan wordt ze niet geteisterd door een writer’s block. Integendeel: met een hoofd ‘zo helder als een winteravond’ schrijft ze met gemak lappen tekst. Maar Sumire worstelt met het uitfilteren van wat nu belangrijk is voor het verhaal en wat niet. Daarom leest docent en studievriend K haar manuscripten na. Stiekem koestert K gevoelens voor Sumire – gevoelens die zij niet voor hem heeft. Wanneer Sumire de raadselachtige Mioe ontmoet, wordt ze op slag verliefd op de 17 jaar oudere getrouwde vrouw: ‘alsof ze uit het niets werd geraakt door de bliksem’. Mioe worstelt op haar beurt met een surrealistische, maar zeer traumatische gebeurtenis en kan daardoor Sumire’s liefde niet beantwoorden.
Wanneer de realiteit van de dag plaatsmaakt voor de nacht, kunnen er zomaar surrealistische dingen gebeuren. Veel verhalen speelden al eens met dit idee. In After Dark geeft Haruki Murakami een geheel eigen draai aan dit concept. En zoals we van hem gewend zijn, is de overstap van alledaags naar absurd geen grote. In zijn versie van nachtelijk Tokyo loopt de negentienjarige Mari weg van huis om in de donkere uurtjes een boek te gaan lezen in restaurant Denny’s. Hier ontmoet ze Takahashi, de muzikale vriend van haar zus Eri die als fotomodel werkt maar zich nu al een tijdje in haar kamer opsluit. Via Takahashi komt Mari in contact met de excentrieke Kaoru. Na haar carrière als worstelaar is Kaoru love hotel Alphaville begonnen. Omdat zich daar een gruwelijke mishandeling van een Chinese sekswerker heeft plaatsgevonden, is Mari als studente Chinees nodig als tolk.
