In Bellagio en Malibu wisselde Nan Adams de bewogen geschiedenis van de familie Dara af met het grootse feest in het Zuid-Franse Antibes ter ere van Beatrice, de honderdjarige ‘mater familias’. In Mayfair is het feest ten einde, maar de gebeurtenissen worden in dit derde deel van de Alfa-vrouwen serie voortgezet in Londen. Geraldine – tegenwoordig Gerry –, haar moeder Charlene en grootmoeder Beatrice verblijven in het luxe hotel The Ritz, dicht bij veilinghuis Sotheby’s waar Alfa Romeo de ‘Caramba’ is ondergebracht. Na het lezen van de dagboeken van Charlenes dood gewaande zus Chantal is het zeker: de oldtimer vormt de spil van het duistere web waar de Dara’s de afgelopen decennia in verstrikt zijn geraakt. Het gevaar is anno 2022 nog steeds niet geweken. Mayfair neemt de lezer mee in de spannende ontknoping van het familieverhaal waarbij niet alleen de Dara-dynastie, maar de hele wereld gevaar loopt.
Eerder in de Kasteelsuiteserie beleefden Lise en Ayden in Verleidelijk spel en Virtueel spel twee zinderende proefslaapavonturen tijdens de game Kasteel de Zeven Zonden en Zeven Deugden. Inmiddels is het spel van Nicolet Slot uitgegroeid tot een groot succes. Maar er hangen donkere wolken boven haar sprookje-voor-volwassenen. Erfgenaam van het kasteel, Laurent van Huyssen ter Eyckenhorst, wil dat Nicolets spel stopt. Hij vindt de spelbedenkster niet alleen ‘net de zus van Cruella de Vil’ (‘hoe afgrijselijk, die rode pumps!), maar Seven Sins een vreselijk spel dat het imago van zijn kasteel aantast. De zaken staan er voor hem bovendien niet goed voor: de inkomsten van zijn kastelen in Nederland en Frankrijk vallen tegen, een oude familievete steekt de kop op en voor zijn zieke neefje Philippe ziet de toekomst er steeds somberder uit. Verboden spel van Susan Summer vertelt het verhaal van spelbedenkster Nicolet dat zich langzaam, als een Keltisch hart, verknoopt met dat van kasteeleigenaar Laurent.
Hannah is net vijftig als ze te horen krijgt dat haar vader door alvleesklierkanker terminaal ziek is. Haar acht jaar oudere zus zit op dat moment in een afkickkliniek. Hannah wordt al snel aangewezen als de primaire mantelzorger van haar vader. Een beladen taak die ze, ondanks goedbedoelde aansporingen van haar man Jonas, met tegenzin op zich neemt en die haar vervult met afschuw en wrok: ‘Weerzin om hem aan te raken verlamt haar. (…) Een stil genoegen nestelt zich in haar buik. Hem in zijn sop gaar laten koken, zoals hij dat ooit met haar deed…’ Wilgenkind van Josha Zwaan wisselt twee tijdlijnen met elkaar af: het heden waarin Hannah haar zieke vader verzorgt en het verleden waarin ze als jong meisje zorg droeg voor haar afwezige, eveneens zieke moeder. Hoe meer vaders toestand verslechtert, hoe dieper Hannah graaft in haar veelbewogen jeugd.
Na een turbulente jeugd is de zesentwintigjarige Flo het liefst alleen. Haar moeder stierf na haar geboorte door een bacteriële infectie en de band met haar vader, die microbioloog is, is complex. Het enige dat ze met hem deelt is de fascinatie voor (probiotische) bacteriën. In de wereld van het microbioom vindt Flo haar nieuwe familie. Ze schuwt ieder menselijk contact, haalt haar boodschappen bij een avondwinkel waar ze niets hoeft te zeggen en raakt steeds meer in een isolement. De bacteriefluisteraar van Sanne Kreuze volgt Flo op een kantelpunt in haar leven. De bacteriën brengen haar slecht nieuws: ‘mensen die weinig in diep intermenselijk contact komen met andere wezens, krijgen geleidelijk aan, zo na hun vijfentwintigste, een steeds kleinere diversiteit aan bacteriën.’ Flo besluit het welzijn van haar bacteriën op te krikken door in therapie te gaan. Maar dan ontmoet ze de spirituele Dreyfuss die haar bacteriële huishouding compleet overhoop gooit.
Het naamloze hoofdpersonage in Geen toekomst alstublieft van Mathijs Heuvel lijkt een normaal leven te leiden. Hij werkt in een bibliotheek, heeft een relatie met Merel en een handjevol vrienden. Toch wordt al vroeg in het boek duidelijk dat hij als twintiger nog altijd worstelt met onverwerkte trauma’s uit het verleden. Na de zoveelste ruzie met Merel dwaalt hij doelloos door de stad. Met in zijn achterhoofd het aanbod van vriend Constantijn om op kunstenaarsretraite te gaan in een Spaanse vallei, maakt hij de balans op. Zijn leven voelt zinloos, zijn baan nutteloos en de relatie met zijn vriendin bloedt langzaam dood. Spanje voelt als een perfecte, maar obscure vlucht: ‘een tweede zelfmoordpoging’, want Merel gunt hij ‘iemand met enige toekomst’, zijn ouders kunnen ‘eindelijk opgelucht ademhalen’ en in zijn hoofd ‘trekt de duisternis zich terug’.
De Trojaanse oorlog is een van de bekendste verhalen uit de Griekse mythologie. Hoewel nooit is aangetoond of de gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden, hebben veel Griekse dichters over het beleg van de Trojaanse citadel geschreven. Het beroemdste – en ook meest waarheidsgetrouwe – werk is de Ilias waarin Homerus uiteenzette hoe Helena, de vrouw van de Spartaanse koning Menelaos, werd geschaakt door Paris (in het boek: Alexandros), de zoon van de Trojaanse koning Priamos. Een beslissing die indirect de tien jaar durende Trojaanse oorlog ontketende en de verhoudingen tussen verschillende families op scherp zette. Waar de overgeleverde verhalen meestal beginnen met de beruchte twistappel, geworpen door godin Eris op het huwelijksfeest van koning Peleus en zeenimf Thetis, neemt schrijver en historicus Jacqueline Zirkzee in haar debuutroman Mykene de lezer allereerst mee terug in de voorgeschiedenis van de Trojaanse oorlog.
‘Waarom zoek je toch altijd het donkere op?’ krijgt Emmy Andriesse van haar man Dick Elffers te horen als ze gewapend met haar Rollei de deur uitloopt om foto’s te nemen van de plek waar een dag eerder negenentwintig verzetsmannen in koelen bloede zijn geliquideerd. Het is oktober 1944 en ‘het bloed in de goot met rotte herfstbladeren is het eerste wat ik zie’ registreert Emmy binnen haar fotografisch kader. In licht bevroren van Brigitte de Swart staat op dit punt aan de vooravond van de verschrikkelijke Hongerwinter. Emmy, van oorsprong Joodse maar dankzij ‘surrogaatvader’ Pieter Regoort ‘een vrij mens, met (…) een persoonsbewijs zonder J’ heeft zich aangesloten bij verzetsgroep De Ondergedoken Camera. Door haar activiteiten zit ze in de onderduik, waar ze bevalt van zoon Casje en haar niet-Joodse man Dick er alles aan doet om haar de juiste papieren te verschaffen.
Japan is behoudend als het om de eigen tradities gaat. Des te interessanter dat de Nederlanders gedurende de Gouden Eeuw handel dreven met dit land in de Oost. Eerst vanuit de Nederlands-Indische handelsbasis Batavia (nu: Jakarta), maar rond 1640 kregen ze na het gedwongen vertrek van de Portugezen Deshima toegewezen als handelspost. Ruim tweehonderd jaar lang werd dit kunstmatige eiland voor de kust van Nagasaki door Nederlanders bevolkt. Hier moesten ze wel wat voor over hebben, want onder het gezag van de shogun (militaire heerser) golden er strikte regels. Anne Sey verkent in Deshima het leven op dit waaiervormige eiland waar de oosterse en westerse cultuur elkaar ontmoetten. Welke producten leverden en haalden de Nederlandse handelaren? Hoe kwamen ze hun dagen door op slechts vijftienduizend vierkante meter? Wat aten ze? Konden ze wennen aan het turbulente Japanse weer? Welke boeken lazen ze? En hoe zag deze ontmoeting tussen Oost en West eruit?
